Vijftig Jaar Leven voor de Echte Kunst
Het Leven Leek een Aaneenschakeling van Feesten



interview by Frank Heirman.
published on 14 Apr 2018 in Gazet Van Antwerpen - Citta

Wekelijks wandelen we met een bekende Antwerpenaar langs plekken in de stad die voor hem of haar een bijzondere betekenis hebben. 

Wie nog geen bezoek aan de expositie AMVK in het M HKA bracht, moet dat zeker nog doen. AMVK staat voor Anne-Mie Van Kerckhoven (66) en het overrompelende overzicht van bijna vijftig jaar kunstenaarsleven in tekeningen, schilderijen, computergrafiek, installaties, films en noisemuziek. Dat kunstenaarsleven begon boven de Salons De Boeck in de Arenbergstraat, waar haar vader en moeder de chicste banketten van ’t Stad hielden. “Als kind leek het leven een aaneenschakeling van feesten”, herinnert ze zich haar jeugd. 

Waar kan een parcours Persoonlijk Antwerpen gepaster beginnen dan in het ouderlijke huis. Arenbergstraat 10 ademt klasse en geschiedenis. De zware dubbele toegangsdeur laat uitschijnen dat er in de negentiende eeuw koetsen doorreden. Bij Antwerpenaars staat het adres bekend als de thuishaven van het Echt Antwerps Theater. Niet lang meer evenwel, want de toneelgroep laat het pand over om in de toekomst als reisgezelschap door het leven te gaan. “Als er maar geen buitenlandse winkelketen intrekt”, blikt Anne-Mie Van Kerckhoven somber vooruit. “Ik ben er nooit naar het theater komen kijken, mijn zussen en broer wel. Vlak voor de verkoop van het huis heb ik er als definitief afscheid een film opgenomen.”

Salons De Boeck

En dan vertelt ze de geschiedenis van Salons De Boeck en haar grootvader. “Mijn opa kwam uit Puurs. Hij werd voor dood achtergelaten op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog. Mijn West-Vlaamse grootmoeder die verpleegster was in het Engels leger heeft hem verzorgd tot hij beter was. Het paar vestigde zich in Antwerpen, waar mijn grootvader tafeldienaar was in de Salons De Boeck. Omdat de eigenares geen kinderen had en hij wees was, kon hij later als een aangenomen zoon de zaak voortzetten. Daarna namen mijn vader en zijn broer over.”

Als de gebroeders Van Kerckhoven verzorgden ze na de Tweede Wereldoorlog met de hulp van mijn moeder de chicste feesten van ’t Stad. Als de eigen salons te klein waren, verhuisden ze naar de Stadsfeestzaal. Anne-Mie Van Kerckhoven herinnert zich dat ze van dichtbij mocht komen kijken naar koningin Elisabeth. 

“Arenbergstraat 10 was een bijzonder huis op maat van de adel, maar ook met een parallelle wereld voor het dienstpersoneel. Alle vertrekken hadden een naam, en een rol, met eigen voorschriften. Ik heb het leven in dat huis ervaren als een groot toneelspel. Ik was de oudste van vijf. Met mijn broers en zussen keken we van boven toe als de namen van de gasten werden afgeroepen en de statige trap op kwamen naar de salons. Op het einde van de week rook het hele huis naar bloemen, parfum en sigaren. En lekker eten.” 

“Het leven leek een aaneenschakeling van feesten. In het begin maakte ik er de gewoonte van om bij mijn exposities kleine recepties te organiseren voor vrienden en gasten. Mijn eerste job was ook in de horeca, in restaurant ’t Spreeuwke op de Oude Koornmarkt, waar ik kon overnemen van een vriend. ‘Kan je een dikke ziel pellen?’, vroeg bazin Klara. ‘Ja’, zei ik, wist het eigenlijk niet, maar leerde vlug de beste manier waarop je een perfecte chateaubriand, malse filets en mooie biefstukken tevoorschijn kunt snijden. Dat was de corebusiness en daar dan de sauzen bij maken. Ik vond het fantastisch werk, drie dagen in de week. De rest was voor mijn kunst.”

Bij Albert Poels

Dat ze kunstenaar zou worden, wist ze al snel. Om dat aan te tonen, brengt ze ons naar Lange Wapper, het beeld van Albert Poels dat sinds 1962 aan de voet van Het Steen staat.

“’Onze Anne-Mie, dat is een artieste’, zei mijn vader toen ik klein was. Bij gebrek aan leeg papier scheurde ik stiekem de schutbladen uit de leesboeken in zijn bibliotheek om erop te tekenen. Ik wilde beeldhouwer worden. Als negenjarige begon ik met de gezichten van familieleden te boetseren om er poppenkastfiguren van te maken. Mijn vader was ook kunstenaar, maar wendde zijn creativiteit uiteindelijk als aannemer van feesten aan. In het Antwerpse culturele leven was hij als jongeman actief. Vlak na de oorlog kreeg hij zelfs de kans om curator van het Rockoxhuis te worden. Hij was trots dat Jan Brueghel in de Arenbergstraat had gewoond. Hij kocht geregeld kunst. Zo bezat hij verschillende beelden van Albert Poels bij wie ik in de leer mocht gaan.”

In Poels’ atelier in Borgerhout zag Anne-Mie Van Kerckhoven een hele reeks kleine en grote modellen voor wat de Lange Wapper zou worden. Dat intrigeerde haar. Ze begreep dat een kunstwerk niet zomaar tot stand kwam, daar moest je aan werken en over nadenken. Lange Wapper was een figuur die haar als kind ook fascineerde.

“Wij leerden een liedje over die watergeest, een houten hefkraan eigenlijk, wiens akelige schaduw ’s nachts soms heel groot, soms heel klein, opdook in duistere straatjes. Het verste dat wij van thuis uit alleen mochten gaan, was tot aan de Meir. Die weg liep soms via het smalle Wapperstraatje, dat toen nog bestond. Langs de andere kant van de Arenbergstraat gingen we naar Museum Mayer van den Bergh om naar de Dulle Griet te gaan kijken. Nog zo’n fascinerend verhaal.”

De afspraak met Albert Poels is niet doorgegaan. “Bij een tweede bezoek vertelde Poels me dat ik vanaf mijn twaalfde kon beginnen met de kleibakken schoon te maken. En tot mijn vijftiende werd ik verondersteld zijn werk te kopiëren. Dat wilde ik niet, ik wilde dingen van mezelf maken.”

Gelukkig op pensionaat

Als derde locatie kiest Anne-Mie Van Kerckhoven de Antwerpse Academie, waar ze grafische vormgeving zou studeren. Daar ging wel een koppige strijd aan vooraf.

“Tot en met het lager middelbaar heb ik in de Sint-Ludgardisschool gezeten, maar toen ik vijftien werd, heb ik gevraagd om naar het pensionaat van het Heilig Graf in Turnhout te mogen gaan. Het kloosterleven heeft me altijd aangetrokken: heel je leven studeren en besluiten om geen gezin te stichten. Thuis was het zo druk dat ik naar rust snakte. Om bij de voorbereidingen van de feesten niet in de weg te lopen, stuurden onze ouders ons in het weekend meestal naar het kasteelhotel Maria Ter heide dat mijn grootouders uitbaatten in Polygoon. Nee, het pensionaat vond ik geen straf. De opleiding in het Heilig Graf hechtte belang aan vele vormen van cultuur. Ze hadden daar een lange traditie in. We gingen bijvoorbeeld naar stukken van Bertold Brecht in Tilburg kijken. We kregen voordrachten over het marxisme, het leninisme en Trotski. Ik heb er met een essay over de toekomst de Janssen Pharmaceutica Prijs gewonnen.”

“Van het pensionaat in de Kempen ging ik rechtstreeks naar de Antwerpse Academie, zeer tegen de zin van mijn ouders die schrik hadden dat ik aan lager wal zou geraken. Mijn vader heeft mij een hele tijd gemeden”, herinnert Anne-Mie Van Kerckhoven zich. “De mythe van het vrije leven klopte daarenboven niet. De Academie is lang berucht geweest voor haar wilde feesten, maar begin jaren zeventig leek al het frivole afgeschaft. Geen romantische ateliers, maar modernistische klaslokalen: wij moesten de hele tijd braaf aan tekentafels werken. Ontluisterend.”

Achteraf gezien was mijn keuze niet de beste. “Omdat je er de meest diverse technieken kon leren, wilde ik naar de afdeling grafische vormgeving. Ik was gefascineerd door de massamedia, door alles wat gedrukt werd. Bij ons thuis lazen we veel kranten en tijdschriften. Kunst zag ik altijd breder dan schilder- en beeldhouwkunst. Het onderscheid tussen vrije en toegepaste kunsten is me pas later duidelijk geworden. Ik had vrije kunsten moeten doen, in opdracht werken lukte me niet. Het eerste stuk van mijn eindwerk bestond uit een promotiecampagne voor Stresnil, een medicijn om varkens te kalmeren. Mijn leraar Piet Serneels, met wie ik veel conflicten had, voelde zich belachelijk gemaakt. Dit was niet ernstig genoeg om mee af te studeren. Ik heb me dan in allerijl op de Noorse sagen en legenden gestort.”

“Maar het was niet allemaal dramatiek op de Academie: ik heb er het belang geleerd van zorgvuldigheid. Bij lettertekenen moeten de puntjes samenvallen, en scherp zijn. De richtlijnen die Wilfried Pas me tijdens de lessen modeltekenen gaf, helpen me tot vandaag om figuren in de ruimte te kunnen vatten.”

Flor Bex

Uiteindelijk leerde ze als kunstenares het meeste tijdens trips met vrienden naar exposities in het buitenland. En door wat er te zien was in de jaren zeventig in het ICC, de vierde locatie waar we naartoe trekken. In het toen uitgerangeerde Koninklijk Paleis op de Meir bood Flor Bex geregeld een forum aan rondreizende avant-gardekunstenaars met hun films, acties en performances. “Maar Flor Bex heeft mij nooit tentoongesteld, mijn werk lag hem niet. ‘Te figuratief’, vond hij en hij stuurde me naar Adriaan (Raemdonck,red.) van De Zwarte Panter. Adriaan vond me te conceptueel en stuurde me naar Flor.” 

Kunstruimten of galeries om experimenteel werk te tonen, waren er toen amper in Antwerpen. Wel slaagde ze erin haar tekeningen te presenteren in een alternatief circuit, bij kunstcollectief Ercola in de Wolstraat, café Het Pannenhuis op het Conscienceplein of restaurant Estro Armonica in de Vlaeykensgang. Na enkele jaren, nadat ze in Brussel, Amsterdam, Los Angeles en de Warande in Turnhout installaties had getoond, kreeg ze in 1982 in eigen stad een kans, in de beginnende galerie Zeno X en in het ICC, waar Glenn Van Looy de ontslagen Flor Bex was opgevolgd.

Onder de titel Le Mal, la Morale et Sentimental veranderde ze de in onbruik geraakte cafetaria van het ICC in een slagveld van schilderijen op felgekleurde plexiplaten. Die recupereerde ze bij Neorec, een firma in lichtreclame waar ze toen halftijds werkte. In de cafetaria zijn sinds de commercialisering van het Koninklijk Paleis de chocolatiers van The Chocolate Line aan de slag. Dezelfde eeuwenoude wandtegeltjes waarop Van Kerckhoven destijds graffiti schilderde, glimmen er als nieuw. 

In het ICC zou ze nog opgemerkte tentoonstellingen maken. De instelling stelde ook begeleiding en apparatuur ter beschikking om videoprojecten te maken. En cruciaal: ze leerde er haar partner Danny Devos kennen, op 2 augustus 1980 in de kelder. De ontmoeting lijkt fictie, maar is honderd procent echt. “Danny had zich drie dagen eerder in het ICC verborgen, een performance in het kader van een groepstentoonstelling. Per brief had hij vrienden uitgenodigd om hem te komen zoeken. Maar door een poststaking en een onvoorziene sluitingsdag van het ICC bleef hij drie dagen zonder eten en drinken opgesloten. Ik ben hem samen met mijn vriendin Annie Gentils, die curator was en de sleutels van het gebouw had, gaan zoeken en bevrijden.”

Naar Borgerhout

Het vervolg van de geschiedenis speelt zich af op de Kattenberg in Borgerhout, onze laatste halte. In een gewezen melkfabriek en bananenrijperij stichtten Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos op 1 februari 1981 Club Moral. Vandaag liggen hier gegeerde lofts achter een goed afgeschermde poort verborgen. De site is chic geworden, maar gelukkig niet overgerestaureerd. De betonnen passerelles brokkelen nog steeds verder af. “In de jaren tachtig waagden zich hier alleen zonderlingen en artiesten. De bizarste huurder was een verzamelaar van zware legervoertuigen. Wij huurden er niet alleen een atelier, wij woonden er ook”, wijst Van Kerckhoven de hele rechtervleugel aan die zij betrokken. Ze ontdekte de plek toen ze na een relatiebreuk uit de binnenstad moest verhuizen. In artiestencafé Cintrik vernam ze dat er in de Kattenberg een muziekstudio vrijkwam voor 1.000 frank per maand, nu amper 25 euro! Voor dezelfde prijs bleken nog twee aangrenzende ruimten beschikbaar, waar zij en Danny Devos een atelier inrichtten. 

Zes jaar lang organiseerde de vzw Club Moral performances, noiseconcerten, toneelstukken en tentoonstellingen, die berucht werden maar ook geschiedenis maakten. Guy Cassiers regisseerde er zijn allereerste toneelstuk. De dubbelexpositie In Vitro met sleutelfiguren uit de underground van de jaren tachtig werd twee jaar geleden integraal gereconstrueerd in het M HKA. Het huisblad Force Mental is nu een peperduur collector’s item, gezocht door kunstbibliotheken over de hele wereld. 

“De plek en wat we er deden, was inspirerend voor velen. We runden ze zonder subsidies, we vroegen gewoon toegangsgeld. Veel van wat te extreem was voor de normale cultuurplekken, kwam hier terecht. We betaalden binnen- zowel als buitenlandse kunstenaars, en hielpen hen waar het nodig was bij het maken van hun werk. Heroïsche tijden waren het, keihard werken en dikwijls heel gezellig, want we hadden ook een soort bar. Ondertussen traden wij zelf geregeld in het buitenland op als Club Moral, de naam die we gebruiken voor alles wat we samen doen. Uiteindelijk slorpte alles te veel energie op. De laatste activiteit in Club Moral waren performances van mijn studenten van het KASK in Gent, waar ik ondertussen lesgaf.”

Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos kregen de kans om Club Moral te kopen, maar beslisten om naar de Oudstrijdersstraat te verhuizen, de overkant van de Turnhoutsebaan. “Ik wilde na dertien jaar weer aan een straatkant wonen”, bekent Anne-Mie Van Kerckhoven 

“Uit Borgerhout wilde ik niet weg. Van moederskant woonde mijn familie al twee generaties rond en op de Turnhoutsebaan. Daar heb ik mooie jeugdherinneringen aan. Toen wij hier kwamen wonen, was de sfeer dikwijls grimmig tussen ‘racisten en Marokkanen’. Dat is verbeterd. Alleen heb ik heimwee naar de periode dat er nog mooie winkels waren op de Turnhoutsebaan. Dertig jaar geleden had je nog een vermaarde poelier en wildhandel, een fijn ijssalon, een chocolatier, volksrestaurant De Roma. Zelfs volkscafé De Pauw is onlangs afgebroken. Alles wordt hetzelfde. Saaier.” 

Wie is Anne-Mie Van Kerckhoven?

Beroep: kunstenaar

Woonplaats: Antwerpen

INFO: AMVK, tot 13 mei in M HKA, www.muhka.be




Related solo exhibitions: AMVK
451 views